De werknemer die minder dan 80%, maar meer dan 35% loonverlies lijdt, is gedeeltelijk arbeidsongeschikt en komt in aanmerking voor een WGA-uitkering. De werknemer moet er tijdens die uitkering alles aan doen om aan het werk te blijven. Daarom is de uitkering hoger als hij meer werkt. De WGA-uitkering bestaat uit twee fasen. Eerst een loongerelateerde uitkering en daarna een loonaanvullinguitkering of een vervolguitkering.
Loongerelateerde uitkering
De duur is afhankelijk van de leeftijd van de werknemer (vanaf 1 januari 2008 is de duur afhankelijk van het arbeidsverleden). De hoogte bedraagt 70% van het laatst verdiende loon (vanaf 1 januari 2008 de eerste twee maanden 75%). Als de werknemer met zijn resterende verdiencapaciteit werkt, mag hij 30% van zijn inkomsten behouden.
Loonaanvullinguitkering of vervolguitkering
Verdient de werknemer na afloop van de loongerelateerde uitkering minimaal 50% van wat hij (nog) kan verdienen, dan komt hij in aanmerking voor een loonaanvullinguitkering. De hoogte van die uitkering bedraagt 70% van het verschil tussen het laatste loon en het loon bij volledige benutting van de resterende verdiencapaciteit. Als de werknemer zijn resterende verdiencapaciteit voor minder dan 50% benut, komt hij in aanmerking voor een vervolguitkering. Deze bedraagt een percentage van het wettelijke minimumloon. Het percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsgeschiktheid.
Minder dan 35% arbeidsongeschikt
Als het loonverlies van een werknemer minder is dan 35%, is het de bedoeling dat de werkgever hem in dienst houdt. Als het de werknemer niet lukt te blijven werken, komt hij mogelijk in aanmerking voor een WW-uitkering.
Premievrijstelling voor pensioen
Als een werknemer deelneemt in een pensioenregeling en een WIA-uitkering ontvangt, komt hij mogelijk in aanmerking voor een premievrij pensioen.