Vaststellen op welke wijze is voldaan aan de eisen die zijn gesteld aan de installatie, met betrekking tot eisen die gesteld zijn ten aanzien van:
a. de verschillende (installatie)delen eenduidig herkenbaar zijn;
b. het elektrisch materieel ten minste in overeenstemming is met de installatie-eisen;
c. de vrije ruimten en vluchtwegen goed toegankelijk zijn;
d. de verbindingen van de zichtbare beschermingsleidingen in orde zijn;
e. de juiste beveiligingstoestellen aanwezig zijn en juist zijn ingesteld;
f. de veiligheidsketens in orde zijn;
g. de aanwezige meetinstrumenten, signaallampen en dergelijke functioneren;
h. de elektrische installatie in voldoende vrij van: stof, vuil, water en gemakkelijk brandbare delen.
Hierbij moet rekening zijn gehouden met de kenmerken van de installatie.